Alfabet (Italiaans)

1A
A che ora parti ?
Hoe laat vertrek je?
2B
Bagagli
Bagage
3C
C'è dell' acqua o dei succhi di frutta
Er is water of vruchtensap
4D
Da quando sei qui?
Wanneer ben je aangekomen?
5E
È a casa sua
Ze is thuis
6F
Faccia con comodo
Neem uw tijd
7G
Gennaio
Januari
8H
Ha un coltello per favore?
Hebt u een mes, alstublieft?
9I
Il bar
De bar
10L
L'ascensore è alla sua destra
De lift is aan uw rechterkant
11M
Maggio
Mei
12N
Nero
Zwart
13O
Occhiali da sole
Zonnebril
14P
Parcheggio auto
Autoparking
15Q
Qual è il prezzo per una notte?
Wat is de prijs voor één nacht?
16R
Riparto domani
Ik vertrek morgen
17S
Sa dove posso comprare un palloncino?
Weet u waar ik een bal kan kopen?
18T
Ti amo
Ik hou van je
19U
Ufficio degli oggetti smarriti
Bureau voor gevonden voorwerpen
20V
Va bene
Okee
21Z
Zero
Nul