Italiaans > Alfabet

Alfabet : Italiaans

ItaliaansNederlands
1A
a che ora parti ? Hoe laat vertrek je?
2B
bagagli Bagage
3C
c'è dell' acqua o dei succhi di frutta Er is water of vruchtensap
4D
da quando sei qui? Wanneer ben je aangekomen?
5E
È a casa sua Ze is thuis
6F
faccia con comodo Neem uw tijd
7G
gennaio Januari
8H
ha un coltello per favore? Hebt u een mes, alstublieft?
9I
il bar De bar
10L
l'ascensore è alla sua destra De lift is aan uw rechterkant
11M
maggio Mei
12N
nero Zwart
13O
occhiali da sole Zonnebril
14P
parcheggio auto Autoparking
15Q
qual è il prezzo per una notte? Wat is de prijs voor één nacht?
16R
riparto domani Ik vertrek morgen
17S
sa dove posso comprare un palloncino? Weet u waar ik een bal kan kopen?
18T
ti amo Ik hou van je
19U
ufficio degli oggetti smarriti Bureau voor gevonden voorwerpen
20V
va bene Okee
21Z
zero Nul